Met oma de haven in
Een kaartje lag in de bus. Zo’n ouderwetse, met sierlijke letters en een afbeelding van een bloem die je eigenlijk alleen nog bij de Primera ziet. “Lieve Philip,” stond er. “Wat een bijzondere dag heb je me gegeven. Ik kijk nog steeds naar de foto van dat enorme schip. Wat een wereld daar, wat een bedrijvigheid. Dankjewel dat je me hebt meegenomen in jouw haven.”
Ik moest glimlachen. Het was een zonnige zondag in februari geweest — het soort dag waarop alles meezat. Geen strak plan, alleen twee vaste stops: de Sleipnir bij Rozenburg, het kraanschip van mijn oude werkgever Heerema Marine Contractors, en een lunch bij Schmidt Zeevis. De rest liet ik open, zoals dat hoort bij een verkenningsdag.
Mijn oma van 94 had van tevoren nog gevraagd of ik “een pasje had om in het weekend de Rotterdamse haven in te kunnen”. In haar hoofd was de haven nog één groot afgesloten terrein, met een slagboom en een man in een hokje die beslist of je erdoor mag. Dat idee maakte het eigenlijk alleen maar mooier — alsof we samen op ontdekkingstocht gingen in een onbekend land.
We begonnen in Schiedam, bij de Wiltonhaven, waar een immens offshore-schip van Subsea 7 bij Huisman Equipment lag afgemeerd. Ze keek er met grote ogen naar. “Wat een gevaarte,” zei ze. Even verderop zwaaiden we naar Damen Shipyards — figuurlijk dan, want het was zondag, maar voor haar hoorde dat erbij. Via de Waalhaven reden we langs het hoofdkantoor van mijn vrienden van Neele-Vat Logistics, en daarna langs de terminals van Vopak. De opslagtanks glommen in de zon als metalen sculpturen van bedrijvigheid. Bij Pernis werd ze stil. “Hier heb ik vroeger gewerkt,” zei ze zacht. “Bij Shell. Toen rook de hele wijk naar olie — dat hoorde er gewoon bij.”
Op naar Rozenburg waar we vanaf de snelweg de Sleipnir zagen liggen, ze werd even helemaal stil. “Is dat van jou?” vroeg ze met een glimlach. “Nou, een héél klein beetje in mijn oranje Heerema hart,” lachte ik. “Het lijkt wel een kathedraal,” zei ze. “Alleen eentje die drijft.”
We sloten af bij Schmidt Zeevis, met kibbeling, witte wijn en mooie verhalen. Op de terugweg dommelde ze weg, tussen containers, schepen en horizon.
En nu, terwijl ik haar kaartje nog eens lees, denk ik: misschien was die dag niet alleen een cadeau voor haar, maar ook voor mij. Om even door haar ogen te kijken naar iets wat voor mij zo vanzelfsprekend is geworden.
“Je moet vaker de mensen meenemen die er niet meer komen,” schreef ze onderaan.
En ze had, zoals zo vaak, gelijk. Benieuwd wie de volgende zal zijn…